Terugkeer uit ballingschap: de herwaardering voor de figuratie in de beeldende kunst na 1975 [lezing in het kader van het CW-debat]

Activity: Talk or presentation typesInvited talkAcademic

Description

Waar figuratie eeuwenlang het vanzelfsprekend uitgangspunt is geweest voor de schilder en zijn publiek, moest ze in de 20e eeuw het officiële artistieke veld verlaten, of hooguit tevreden zijn met een bescheiden bijrol. Abstractie werd het toverwoord. Zoals Theo van Doesburg het in 1916 dwingend voorspelde: de beeldende kunst zou geen bomen, huizen, mensen ‘of iets van dien aard’ meer uitbeelden, maar ze zou bestaan uit ‘lijnen, ronde en vierkante vormen, verticale en horizontale vlakken, kleuren van de intensiteit van wit tot de passiviteit van zwart.’ Hiermee verwoordde hij niet alleen wat de Stijl-groep, waarvan hij de aanvoerder was, voor ogen stond, maar plaatste hij tegelijk een algemeen verbodsbord bij de toegangspoort tot de ‘echte’ kunst.

Rond 1940 deed de Amerikaanse kunstcriticus Clement Greenberg er nog een ethisch schepje bovenop. Hij verheerlijkte de abstracte kunst als de enige uiting van de ‘ware cultuur’, die gedragen werd door de in zijn ogen onmisbare, vooruitstrevende elite, en zette deze af tegen de goedkope Kitsch. Kitsch waarin de figuratie de hoofdrol speelde – Greenberg dacht daarbij onder meer aan Hollywoodfilms, reclame en stripverhalen – en die in zijn ogen getuigde van een door en door conservatieve smaak in een overheersend commerciële wereld. De invloed van het door Greenberg gepropageerde gedachtegoed was groot en in de jaren ’60 werd het ideaal van de abstracte kunst door conceptuele kunstenaars nog een octaaf hoger gespeeld, zodat rond de beginjaren ’70 de schilderkunst door de modernisten doodverklaard kon worden.

Vanaf het midden van die jaren ’70 echter begon het tij plotseling te keren. In verschillende Europese landen bonkten figuratieve kunstenaars hard op de poort. De Nieuwe Wilden, de nouveaux Fauves, de Mülheimer Freiheit, en bijvoorbeeld de Jonge Italianen namen weer het penseel en palet ter hand en heïntroduceerden figuratieve elementen in een expressieve taal. Maar voor deze nieuwe schilders, voor wie vaak de verzamelnaam ‘transavantgarde’ wordt gebruikt, ging de poort niet zonder slag of stoot open. Ondanks de stoere woorden over het faillissement van het modernisme, werd de figuratie met argwaan tegemoet getreden en is de associatie met conservatisme tot op de dag van vandaag een hardnekkige gebleken.

In de lezing volgen we de ontwikkeling van deze herintroductie van de figuratie in de schilderkunst, die in de tweede helft van de jaren ’80 onder meer leidde tot een nieuwe romantiek en een nieuw soort symbolisme.
Period19 Feb 2018
Held atOpen University of the Netherlands