Opvattingen over leren

Translated title of the contribution: Views on learning

W. Tomic, P. Span

    Research output: Chapter in Book/Report/Conference proceedingChapterAcademicpeer-review

    2 Downloads (Pure)

    Abstract

    Het object van de onderwijspsychologie is de systematische bestudering van leerprocessen en van de factoren die daarop van invloed zijn. We gaven een beschrijving van de associationistische traditie in het onderwijs. De opvattingen die de associationisten hadden over het leren, waren gebaseerd op de zogenoemde associatieprincipes: contiguïteit, gelijkheid en contrast. De associationisten huldigden de empiristische opvatting, zij waren van mening dat al onze kennis verworven wordt door ervaring. Ebbinghaus, als exponent van de associationistische traditie, heeft als eerste experimenteel onderzoek gedaan naar het geheugen en het leren. Het belang van zijn werk is gelegen in het feit dat hij demonstreerde dat het complexe menselijke geheugen onderzoekbaar is. Een toepassing van de associationistische opvatting in het onderwijs illustreerden we aan de hand van de vijf 'stappen' van Herbart, die zouden leiden naar het verwerven van nieuwe kennis. Het bestaan van associaties wordt niet ontkend, maar het begrip 'associatie' als de belangrijkste verklaring voor het leren is achterhaald. Ontevreden over het onderzoek naar mentale processen bij de mens, stelden Amerikaanse psychologen rond de eeuwwisseling voor om in plaats daarvan het waarneembare gedrag te bestuderen. Het methodologische standpunt van het behaviorisme betekende destijds een wetenschappelijke revolutie in de psychologiebeoefening. Alhoewel de verworvenheden van de behavioristische benadering voor het onderwijs vruchtbaar zijn gebleken, heeft het behaviorisme ons gedrag echter slechts in beperkte mate kunnen verklaren. Zo kunnen op het gebied van het leren lang niet alle gewenste gedragingen door een organisme verworven worden. De verwerving van taal kan onvoldoende verklaard worden. Evenmin kunnen problemen verklaard worden die zich manifesteren bij de samenwerking van mens en machine. De noodzaak ontstond om toch maar in de 'black box' te kijken, met andere woorden: om veronderstellingen te maken over processen die zich in onze hersenen afspelen. De cognitieve psychologie heeft als object van studie alle mentale processen die betrokken zijn bij het opnemen, opslaan, terugvinden en gebruiken van informatie. Op dit moment heeft déze stroming in de onderwijspsychologie de meeste invloed. De cognitieve psychologie wil achterhalen hoe het gedrag van de mens tot stand komt. De belangstelling van onderzoekers is gericht op de organisatie en het gebruik van informatie. De mens is in interactie met de wereld om zich heen en wordt opgevat als een informatieverwerkend systeem. Belangrijke onderzoekmethoden van de cognitieve psychologie zijn de methode van de reactietijden en de protocolanalyse. Het onderzoek richt zich voornamelijk op rationele processen, wat tot gevolg heeft dat emotioneel gedrag van mensen nauwelijks aandacht krijgt. De ideeën van Vygotsky en zijn navolgers hebben gezorgd voor een hernieuwde opleving van het onderzoek naar de cognitieve ontwikkeling en het leren. In de Sovjet-Russische bijdrage aan de onderwijspsychologie staat het idee van de handeling centraal, met mentale activiteit als sleutelbegrip. Om de ideeën van Vygotsky in een kader te plaatsen, hebben we een beschrijving gegeven van de enig toegestane filosofische opvatting in de Sovjet-Unie, de daarmee samenhangende optimistische mensvisie en de negatieve gevolgen daarvan voor onderzoekactiviteiten. De optimistische mensvisie, die terug te voeren is op de theorie van Lamarck en op de grote invloed die men aan onderwijs toeschrijft, heeft een grote aantrekkingskracht uitgeoefend op onderwijspsychologen en pedagogen. Vygotsky's cultuurhistorische theorie van de hogere mentale functies vertoont enerzijds sporen van het marxisme-leninisme, anderzijds is de invloed van Häckels recapitulatietheorie merkbaar. Vygotsky's interiorisatiehypothese is door zijn medewerkers en navolgers verder uitgewerkt. Zowel zijn concept van zelfregulatie, vergelijkbaar met het concept metacognitie, als zijn vage beschrijving van het begrip 'zone van de naaste ontwikkeling' blijken een bron voor nieuw onderwijspsychologisch onderzoek te zijn.
    Original languageDutch
    Title of host publicationOnderwijspsychologie. Beïnvloeding, verloop en resultaten van leerprocessen
    EditorsW. Tomic, P. Span
    Place of PublicationUtrecht
    PublisherUITGEVERIJ LEMMA B V
    Chapter1
    Pages25-58
    Number of pages34
    ISBN (Print)90 5189 226 8
    Publication statusPublished - 1993

    Fingerprint

    L. S. Vygotsky
    Leiden
    Language
    Lamarck
    Mate

    Keywords

    • associationisme; behaviorisme; cognitivisme; handelingstheorie; leren op school

    Cite this

    Tomic, W., & Span, P. (1993). Opvattingen over leren. In W. Tomic, & P. Span (Eds.), Onderwijspsychologie. Beïnvloeding, verloop en resultaten van leerprocessen (pp. 25-58). Utrecht: UITGEVERIJ LEMMA B V.
    Tomic, W. ; Span, P. / Opvattingen over leren. Onderwijspsychologie. Beïnvloeding, verloop en resultaten van leerprocessen. editor / W. Tomic ; P. Span. Utrecht : UITGEVERIJ LEMMA B V, 1993. pp. 25-58
    @inbook{823103d77c9c4963a7aacf989f2d1db9,
    title = "Opvattingen over leren",
    abstract = "Het object van de onderwijspsychologie is de systematische bestudering van leerprocessen en van de factoren die daarop van invloed zijn. We gaven een beschrijving van de associationistische traditie in het onderwijs. De opvattingen die de associationisten hadden over het leren, waren gebaseerd op de zogenoemde associatieprincipes: contigu{\"i}teit, gelijkheid en contrast. De associationisten huldigden de empiristische opvatting, zij waren van mening dat al onze kennis verworven wordt door ervaring. Ebbinghaus, als exponent van de associationistische traditie, heeft als eerste experimenteel onderzoek gedaan naar het geheugen en het leren. Het belang van zijn werk is gelegen in het feit dat hij demonstreerde dat het complexe menselijke geheugen onderzoekbaar is. Een toepassing van de associationistische opvatting in het onderwijs illustreerden we aan de hand van de vijf 'stappen' van Herbart, die zouden leiden naar het verwerven van nieuwe kennis. Het bestaan van associaties wordt niet ontkend, maar het begrip 'associatie' als de belangrijkste verklaring voor het leren is achterhaald. Ontevreden over het onderzoek naar mentale processen bij de mens, stelden Amerikaanse psychologen rond de eeuwwisseling voor om in plaats daarvan het waarneembare gedrag te bestuderen. Het methodologische standpunt van het behaviorisme betekende destijds een wetenschappelijke revolutie in de psychologiebeoefening. Alhoewel de verworvenheden van de behavioristische benadering voor het onderwijs vruchtbaar zijn gebleken, heeft het behaviorisme ons gedrag echter slechts in beperkte mate kunnen verklaren. Zo kunnen op het gebied van het leren lang niet alle gewenste gedragingen door een organisme verworven worden. De verwerving van taal kan onvoldoende verklaard worden. Evenmin kunnen problemen verklaard worden die zich manifesteren bij de samenwerking van mens en machine. De noodzaak ontstond om toch maar in de 'black box' te kijken, met andere woorden: om veronderstellingen te maken over processen die zich in onze hersenen afspelen. De cognitieve psychologie heeft als object van studie alle mentale processen die betrokken zijn bij het opnemen, opslaan, terugvinden en gebruiken van informatie. Op dit moment heeft d{\'e}ze stroming in de onderwijspsychologie de meeste invloed. De cognitieve psychologie wil achterhalen hoe het gedrag van de mens tot stand komt. De belangstelling van onderzoekers is gericht op de organisatie en het gebruik van informatie. De mens is in interactie met de wereld om zich heen en wordt opgevat als een informatieverwerkend systeem. Belangrijke onderzoekmethoden van de cognitieve psychologie zijn de methode van de reactietijden en de protocolanalyse. Het onderzoek richt zich voornamelijk op rationele processen, wat tot gevolg heeft dat emotioneel gedrag van mensen nauwelijks aandacht krijgt. De idee{\"e}n van Vygotsky en zijn navolgers hebben gezorgd voor een hernieuwde opleving van het onderzoek naar de cognitieve ontwikkeling en het leren. In de Sovjet-Russische bijdrage aan de onderwijspsychologie staat het idee van de handeling centraal, met mentale activiteit als sleutelbegrip. Om de idee{\"e}n van Vygotsky in een kader te plaatsen, hebben we een beschrijving gegeven van de enig toegestane filosofische opvatting in de Sovjet-Unie, de daarmee samenhangende optimistische mensvisie en de negatieve gevolgen daarvan voor onderzoekactiviteiten. De optimistische mensvisie, die terug te voeren is op de theorie van Lamarck en op de grote invloed die men aan onderwijs toeschrijft, heeft een grote aantrekkingskracht uitgeoefend op onderwijspsychologen en pedagogen. Vygotsky's cultuurhistorische theorie van de hogere mentale functies vertoont enerzijds sporen van het marxisme-leninisme, anderzijds is de invloed van H{\"a}ckels recapitulatietheorie merkbaar. Vygotsky's interiorisatiehypothese is door zijn medewerkers en navolgers verder uitgewerkt. Zowel zijn concept van zelfregulatie, vergelijkbaar met het concept metacognitie, als zijn vage beschrijving van het begrip 'zone van de naaste ontwikkeling' blijken een bron voor nieuw onderwijspsychologisch onderzoek te zijn.",
    keywords = "associationisme; behaviorisme; cognitivisme; handelingstheorie; leren op school",
    author = "W. Tomic and P. Span",
    year = "1993",
    language = "Dutch",
    isbn = "90 5189 226 8",
    pages = "25--58",
    editor = "W. Tomic and P. Span",
    booktitle = "Onderwijspsychologie. Be{\"i}nvloeding, verloop en resultaten van leerprocessen",
    publisher = "UITGEVERIJ LEMMA B V",

    }

    Tomic, W & Span, P 1993, Opvattingen over leren. in W Tomic & P Span (eds), Onderwijspsychologie. Beïnvloeding, verloop en resultaten van leerprocessen. UITGEVERIJ LEMMA B V, Utrecht, pp. 25-58.

    Opvattingen over leren. / Tomic, W.; Span, P.

    Onderwijspsychologie. Beïnvloeding, verloop en resultaten van leerprocessen. ed. / W. Tomic; P. Span. Utrecht : UITGEVERIJ LEMMA B V, 1993. p. 25-58.

    Research output: Chapter in Book/Report/Conference proceedingChapterAcademicpeer-review

    TY - CHAP

    T1 - Opvattingen over leren

    AU - Tomic, W.

    AU - Span, P.

    PY - 1993

    Y1 - 1993

    N2 - Het object van de onderwijspsychologie is de systematische bestudering van leerprocessen en van de factoren die daarop van invloed zijn. We gaven een beschrijving van de associationistische traditie in het onderwijs. De opvattingen die de associationisten hadden over het leren, waren gebaseerd op de zogenoemde associatieprincipes: contiguïteit, gelijkheid en contrast. De associationisten huldigden de empiristische opvatting, zij waren van mening dat al onze kennis verworven wordt door ervaring. Ebbinghaus, als exponent van de associationistische traditie, heeft als eerste experimenteel onderzoek gedaan naar het geheugen en het leren. Het belang van zijn werk is gelegen in het feit dat hij demonstreerde dat het complexe menselijke geheugen onderzoekbaar is. Een toepassing van de associationistische opvatting in het onderwijs illustreerden we aan de hand van de vijf 'stappen' van Herbart, die zouden leiden naar het verwerven van nieuwe kennis. Het bestaan van associaties wordt niet ontkend, maar het begrip 'associatie' als de belangrijkste verklaring voor het leren is achterhaald. Ontevreden over het onderzoek naar mentale processen bij de mens, stelden Amerikaanse psychologen rond de eeuwwisseling voor om in plaats daarvan het waarneembare gedrag te bestuderen. Het methodologische standpunt van het behaviorisme betekende destijds een wetenschappelijke revolutie in de psychologiebeoefening. Alhoewel de verworvenheden van de behavioristische benadering voor het onderwijs vruchtbaar zijn gebleken, heeft het behaviorisme ons gedrag echter slechts in beperkte mate kunnen verklaren. Zo kunnen op het gebied van het leren lang niet alle gewenste gedragingen door een organisme verworven worden. De verwerving van taal kan onvoldoende verklaard worden. Evenmin kunnen problemen verklaard worden die zich manifesteren bij de samenwerking van mens en machine. De noodzaak ontstond om toch maar in de 'black box' te kijken, met andere woorden: om veronderstellingen te maken over processen die zich in onze hersenen afspelen. De cognitieve psychologie heeft als object van studie alle mentale processen die betrokken zijn bij het opnemen, opslaan, terugvinden en gebruiken van informatie. Op dit moment heeft déze stroming in de onderwijspsychologie de meeste invloed. De cognitieve psychologie wil achterhalen hoe het gedrag van de mens tot stand komt. De belangstelling van onderzoekers is gericht op de organisatie en het gebruik van informatie. De mens is in interactie met de wereld om zich heen en wordt opgevat als een informatieverwerkend systeem. Belangrijke onderzoekmethoden van de cognitieve psychologie zijn de methode van de reactietijden en de protocolanalyse. Het onderzoek richt zich voornamelijk op rationele processen, wat tot gevolg heeft dat emotioneel gedrag van mensen nauwelijks aandacht krijgt. De ideeën van Vygotsky en zijn navolgers hebben gezorgd voor een hernieuwde opleving van het onderzoek naar de cognitieve ontwikkeling en het leren. In de Sovjet-Russische bijdrage aan de onderwijspsychologie staat het idee van de handeling centraal, met mentale activiteit als sleutelbegrip. Om de ideeën van Vygotsky in een kader te plaatsen, hebben we een beschrijving gegeven van de enig toegestane filosofische opvatting in de Sovjet-Unie, de daarmee samenhangende optimistische mensvisie en de negatieve gevolgen daarvan voor onderzoekactiviteiten. De optimistische mensvisie, die terug te voeren is op de theorie van Lamarck en op de grote invloed die men aan onderwijs toeschrijft, heeft een grote aantrekkingskracht uitgeoefend op onderwijspsychologen en pedagogen. Vygotsky's cultuurhistorische theorie van de hogere mentale functies vertoont enerzijds sporen van het marxisme-leninisme, anderzijds is de invloed van Häckels recapitulatietheorie merkbaar. Vygotsky's interiorisatiehypothese is door zijn medewerkers en navolgers verder uitgewerkt. Zowel zijn concept van zelfregulatie, vergelijkbaar met het concept metacognitie, als zijn vage beschrijving van het begrip 'zone van de naaste ontwikkeling' blijken een bron voor nieuw onderwijspsychologisch onderzoek te zijn.

    AB - Het object van de onderwijspsychologie is de systematische bestudering van leerprocessen en van de factoren die daarop van invloed zijn. We gaven een beschrijving van de associationistische traditie in het onderwijs. De opvattingen die de associationisten hadden over het leren, waren gebaseerd op de zogenoemde associatieprincipes: contiguïteit, gelijkheid en contrast. De associationisten huldigden de empiristische opvatting, zij waren van mening dat al onze kennis verworven wordt door ervaring. Ebbinghaus, als exponent van de associationistische traditie, heeft als eerste experimenteel onderzoek gedaan naar het geheugen en het leren. Het belang van zijn werk is gelegen in het feit dat hij demonstreerde dat het complexe menselijke geheugen onderzoekbaar is. Een toepassing van de associationistische opvatting in het onderwijs illustreerden we aan de hand van de vijf 'stappen' van Herbart, die zouden leiden naar het verwerven van nieuwe kennis. Het bestaan van associaties wordt niet ontkend, maar het begrip 'associatie' als de belangrijkste verklaring voor het leren is achterhaald. Ontevreden over het onderzoek naar mentale processen bij de mens, stelden Amerikaanse psychologen rond de eeuwwisseling voor om in plaats daarvan het waarneembare gedrag te bestuderen. Het methodologische standpunt van het behaviorisme betekende destijds een wetenschappelijke revolutie in de psychologiebeoefening. Alhoewel de verworvenheden van de behavioristische benadering voor het onderwijs vruchtbaar zijn gebleken, heeft het behaviorisme ons gedrag echter slechts in beperkte mate kunnen verklaren. Zo kunnen op het gebied van het leren lang niet alle gewenste gedragingen door een organisme verworven worden. De verwerving van taal kan onvoldoende verklaard worden. Evenmin kunnen problemen verklaard worden die zich manifesteren bij de samenwerking van mens en machine. De noodzaak ontstond om toch maar in de 'black box' te kijken, met andere woorden: om veronderstellingen te maken over processen die zich in onze hersenen afspelen. De cognitieve psychologie heeft als object van studie alle mentale processen die betrokken zijn bij het opnemen, opslaan, terugvinden en gebruiken van informatie. Op dit moment heeft déze stroming in de onderwijspsychologie de meeste invloed. De cognitieve psychologie wil achterhalen hoe het gedrag van de mens tot stand komt. De belangstelling van onderzoekers is gericht op de organisatie en het gebruik van informatie. De mens is in interactie met de wereld om zich heen en wordt opgevat als een informatieverwerkend systeem. Belangrijke onderzoekmethoden van de cognitieve psychologie zijn de methode van de reactietijden en de protocolanalyse. Het onderzoek richt zich voornamelijk op rationele processen, wat tot gevolg heeft dat emotioneel gedrag van mensen nauwelijks aandacht krijgt. De ideeën van Vygotsky en zijn navolgers hebben gezorgd voor een hernieuwde opleving van het onderzoek naar de cognitieve ontwikkeling en het leren. In de Sovjet-Russische bijdrage aan de onderwijspsychologie staat het idee van de handeling centraal, met mentale activiteit als sleutelbegrip. Om de ideeën van Vygotsky in een kader te plaatsen, hebben we een beschrijving gegeven van de enig toegestane filosofische opvatting in de Sovjet-Unie, de daarmee samenhangende optimistische mensvisie en de negatieve gevolgen daarvan voor onderzoekactiviteiten. De optimistische mensvisie, die terug te voeren is op de theorie van Lamarck en op de grote invloed die men aan onderwijs toeschrijft, heeft een grote aantrekkingskracht uitgeoefend op onderwijspsychologen en pedagogen. Vygotsky's cultuurhistorische theorie van de hogere mentale functies vertoont enerzijds sporen van het marxisme-leninisme, anderzijds is de invloed van Häckels recapitulatietheorie merkbaar. Vygotsky's interiorisatiehypothese is door zijn medewerkers en navolgers verder uitgewerkt. Zowel zijn concept van zelfregulatie, vergelijkbaar met het concept metacognitie, als zijn vage beschrijving van het begrip 'zone van de naaste ontwikkeling' blijken een bron voor nieuw onderwijspsychologisch onderzoek te zijn.

    KW - associationisme; behaviorisme; cognitivisme; handelingstheorie; leren op school

    M3 - Chapter

    SN - 90 5189 226 8

    SP - 25

    EP - 58

    BT - Onderwijspsychologie. Beïnvloeding, verloop en resultaten van leerprocessen

    A2 - Tomic, W.

    A2 - Span, P.

    PB - UITGEVERIJ LEMMA B V

    CY - Utrecht

    ER -

    Tomic W, Span P. Opvattingen over leren. In Tomic W, Span P, editors, Onderwijspsychologie. Beïnvloeding, verloop en resultaten van leerprocessen. Utrecht: UITGEVERIJ LEMMA B V. 1993. p. 25-58