In dit onderzoek is een antwoord gegeven op volgende onderzoeksvraag: In hoeverre stemt de toepassing van het statutair belanghebbende-begrip van artikel 1:2 lid 3 Awb in de bestuursrechtspraak nog overeen met de bedoeling van de wetgever? Gebleken is dat de wetgever weliswaar hoofdlijnen op basis van de AROB en AROB-jurisprudentie heeft uitgezet maar de rechtspraak de vrijheid heeft gegeven om nadere grensstellingen aan de toegang tot de bestuursrechter voor statutair belanghebbenden te bedenken. De rechtspraak heeft hier ook gebruik van gemaakt. In kwesties waarbij een afgeleid belang of een tijdige oprichting van de statutair belanghebbende betrokken, lijkt de bestuursrechter te veel ruimte te nemen. Door mogelijke gebreken in de wetgeving is de bestuursrechter hiertoe wellicht ook wel gedwongen waardoor een vorm van een generieke hardheidsclausule in de Awb een overweging waard is. Verder is tijdens het onderzoek naar voren gekomen dat het Europese recht invloed uit oefent in zogenoemde Aarhus-zaken. Een terechte vraag doemt hierop of het gelijkheidsbeginsel er niet toe noopt om statutair belanghebbenden die voor niet Aarhus-zaken opkomen feitelijk niet dezelfde toegangsrechten tot de bestuursrechter toekomt. Ondanks deze aandachtspunten, kan de conclusie getrokken worden dat de wetgever en bestuursrechter daadwerkelijk een pas de deux uitvoeren.
Date of Award | 5 Sept 2021 |
---|
Original language | Dutch |
---|
Het statutair belanghebbende-begrip: een pas de deux tussen de wetgever en de rechtspraak?
de Bruin, N. J. (Author). 5 Sept 2021
Student thesis: Master's Thesis