Plas/Valburg in de 21ste eeuw
: De betekenis van het arrest Plas/Valburg in de recente jurisprudentie van de Hoge Raad binnen het vraagstuk van de afgebroken onderhandelingen

Translated title of the thesis: Plas/Valburg judgment in the 21ste century
  • T.K.H. Spaaij

Student thesis: Master's Thesis

Abstract

Binnen het leerstuk van het ongerechtvaardigd afbreken van onderhandelingen heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat de contractsvrijheid niet vrijblijvend behoeft te zijn. Wanneer onderhandelingen worden afgebroken doen zich situaties voor waarin het maatschappelijk onacceptabel is dat het afbreken niet leidt tot een schadeplicht. De Hoge Raad stelt dat schending van “gerechtvaardigd vertrouwen” leidt tot die schadeplicht. Centraal staat daarbij hoe partijen zich tegenover elkaar moeten gedragen, nu het “gerechtvaardigd vertrouwen” voortvloeit uit wat over en weer uit het gedrag van de onderhandelende partijen opgemaakt mag worden.
Met het arrest Plas/Valburg heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat het binnen de contractsvrijheid wenselijk is dat bepaalde gedragingen consequenties met zich meebrengen. Vervolgens heeft de Hoge Raad met het arrest CBB/JPO bepaald dat we terughoudend moeten zijn in het beperken van de (contracts)vrijheid. Opvallend is dat in het arrest CBB/JPO niet wordt verwezen naar de drie fasen uit het arrest Plas/Valburg. In de literatuur heeft deze uitspraak veel discussie opgeroepen. Met name over de vraag of de Hoge Raad met deze uitspraak de drie fasen uit de Plas/Valburg doctrine heeft losgelaten. In de literatuur bestaat veel kritiek op de drie fasen omdat deze niet goed van elkaar zijn te onderscheiden. Daarnaast bestaat er de in de literatuur discussie over wat de bron is van de verbintenissen tot schadevergoeding/dooronderhandelen. Ons rechtssysteem vereist tenslotte op grond van art. 6:1 BW een bron van verbintenis(sen) waarop in rechte een vordering kan worden gebaseerd.

Het doel van deze masterscriptie is om, aan de hand van een analyse van de jurisprudentie na het wijzen van het arrest CBB/JPO en de sindsdien gepubliceerde literatuur, te onderzoeken wat nog de actuele betekenis is van de Plas/Valburg doctrine. Tevens zal worden onderzocht of uit de jurisprudentie van de Hoge Raad een bron van verbintenis kan worden afgeleid waarop de verbintenis tot schadevergoeding of een verplichting tot dooronderhandelen kan worden gebaseerd.
Uit het onderzoek blijkt dat er in de praktijk ook sprake is van die terughoudendheid. In vrijwel alle zaken werd (zonder nadere motivatie door de Hoge Raad) geoordeeld dat er geen sprake was van ongerechtvaardigd afgebroken onderhandelingen. Na 2005 oordeelde de Hoge Raad eenmaal dat het afbreken van de onderhandelingen ongerechtvaardigd was, waarbij de Hoge Raad direct inzicht gaf in de mogelijkheid tot vergoeding van het positief contractsbelang. Naar mijn mening heeft de Hoge Raad een evenwicht beoogd tussen contractsvrijheid en het ongerechtvaardigd afbreken van onderhandelingen. Ik concludeer dat de Hoge Raad in zijn jurisprudentie de contractsvrijheid zo vrij mogelijk probeert te houden en minimaal invloed uitoefent op de bijzondere rechtsverhouding tussen onderhandelende partijen. Uit het feit dat het merendeel van de aan de Hoge Raad voorgelegde zaken werd afgedaan onder artikel 81 R.O. en dat in de lagere de Plas/Valburg doctrine wordt toegepast blijkt de er bij de Hoge Raad ook geen behoefte bestaat nadere sturing te geven aan de beperking van de contractsvrijheid. Ik denk dat dit een wenselijke situatie is: Partijen nemen door in onderhandeling te treden bewust een onderhandelingsriciso. Die risico’s proberen partijen te beperken. Slagen zij hier niet in, dan kan de lagere rechtspraak blijkbaar daarover oordelen met de op dit moment voorhanden zijnde jurisprudentie.

Welke bron van verbintenissen aan maatschappelijk onwenselijk onderhandelingsgedrag gekoppeld kan worden is naar mijn mening van ondergeschikt belang, zolang maar duidelijk is dat ongewenst gedrag binnen het kader contractsvrijheid consequenties kan hebben. Zoals uit deze scriptie blijkt is een invulling van de bron van verbintenissen tot schadevergoeding mogelijk door middel van drie verschillende opties. Mijn voorkeur als bron van verbintenissen heeft onrechtmatige daad of ongerechtvaardigde verrijking. De motivatie van Nieuwenhuis, dat als mogelijke bron van de verbintenissen tot schadevergoeding de onrechtmatige daad of ongerechtvaardigde verrijking in aanmerking kunnen komen, heeft mijn ondersteuning. De auteur baseert zich op voor mij begrijpelijke wijze op maatschappelijk niet geaccepteerd gedrag: het op ongeoorloofde wijze profiteren van de intellectuele inspanningen van de niet afbrekende partij. De kritiek die in de onderbouwing van Nieuwenhuis besloten ligt, namelijk dat de precontractuele fase geconstrueerd wordt als een hellend vlak, deel ik niet. In mijn ogen probeert de Hoge Raad de contractvrijheid juist minimaal te beperken en de contractsvrijheid zoveel mogelijk in ere te houden.


Date of Award18 Sep 2020
Original languageDutch
Awarding Institution
  • Department of Private Law
SupervisorJasper Ebbinga (Supervisor) & Jacobus Rinkes (Examinator)

Keywords

  • Plas/Valburg
  • CBB/JPO
  • Precontractuele fase
  • Gerechtvaardigd vertrouwen
  • Bron van verbintenissen

Cite this

'