SCHRIJVEN IS ZILVER – SPREKEN IS FOUT!?

: Een onderzoek naar de juridische toelaatbaarheid van het vergelijkend stem- of handschriftonderzoek als bedoeld in het voorgestelde artikel 2.6.5.5.1 WvSv, gelet op (de Straatsburgse rechtspraak met betrekking tot) het nemo-teneturbeginsel.

  • J. de Gram

Student thesis: Master's Thesis

Abstract

Het is inmiddels vigerende jurisprudentie van het Straatsburgse Hof dat het zogenaamde nemo-teneturbeginsel in artikel 6 EVRM moet worden ingelezen. In het Saunders-arrest heeft het EHRM overwogen dat de bescherming van het nemo-teneturbeginsel niet kan worden ingeroepen bij ‘material which may be obtained from the accused through the use of compulsory powers but which has an existence independent of the will of the suspect’ Over de exacte reikwijdte van het onderhavige beginsel is nadien en tot op de dag van vandaag – veel gediscussieerd. Een en ander wordt onder meer gevoed door de (ogenschijnlijke) inconsistente rechtspraak van het EHRM op dit punt. Het vorenstaande weerhield de wetgever er evenwel niet van om te concluderen dat er geen Straatsburgse bezwaren bestaan tegen het door hem geïntroduceerde artikel waarin een verdachte verplicht kan worden tot medewerking aan een vergelijkend stem- of handschriftonderzoek (art. 2.5.5.6.1. Sv). Reeds in de consultatiefase kreeg artikel 2.5.5.6.1. Sv echter al de nodige kritiek. Met name de visie – en de daarbij behorende motivering – van de wetgever dat de het nemo-teneturbeginsel niet in het geding was, werd niet door alle partijen gedeeld.
Indien artikel 2.5.5.6.1. Sv en de daarbij behorende concept memorie van toelichting nader wordt beschouwd, valt op dat de wetgever zijn expliciete voorkeur voor het gebruik van afdwongen materiaal – tegenover het gebruik van reeds (vrijwillig) geproduceerd referentiemateriaal – uitspreekt. Met andere woorden: in beginsel moet het referentiemateriaal (onder dwang) door de verdachte worden geproduceerd. Een en ander omdat hiermee onomstotelijk vaststaat dat het referentiemateriaal afkomstig is van de verdachte. Een nemo tenetur-kwestie is niet aan de orde, daar het EHRM met betrekking tot stemgeluiden heeft bepaald dat stemgeluiden als zogenoemd wilsonafhankelijk materiaal (‘material which has an existence independent of the will of the suspect’) moeten worden gekwalificeerd – aldus de wetgever. Aangaande handschriften zou het Hof dit niet met zoveel woorden hebben bepaald, maar gelet op de rechtspraak van het EHRM meent de wetgever dat redelijkerwijs moet worden aangekomen, dat indien een verdachte wordt gedwongen tot medewerking aan een onderzoek van deze fysieke eigenschappen, er geen sprake is van een verplichting tot actieve medewerking aan zijn veroordeling. Welbeschouwd adstrueert de wetgever een en ander door te stellen dat de ratio achter het verbod op gedwongen zelfincriminatie gelegen is in het voorkomen van rechterlijke dwalingen. Wilsonafhankelijk materiaal boet immers niet in aan betrouwbaarheid als er een hogere mate van dwang wordt uitgeoefend. Nog daargelaten of dit bij afgedwongen referentiemateriaal in onderhavige onderzoeken ook het geval is, is in dit onderzoek uiteengezet dat niet alleen de betrouwbaarheid van het bewijs een van de gedachten achter (beter: doelstellingen van) het nemo-teneturbeginsel is, maar dat die wordt vergezeld met de andere twee doelen, te weten: het pressieverbod en de procesautonomie van de verdachte. Onderhavige doelstellingen dienen bovendien te allen tijde alle drie te worden geëerbiedigd.
Naast de bovengenoemde doelstellingen heeft het EHRM in Jalloh bepaald dat bij een beoordeling of er sprake is geweest van een schending van het nemo-teneturbeginsel acht moet worden geslagen op de aard en mate van dwang (i), het gewicht van het publiek belang (ii), de aanwezigheid van relevante waarborgen in de procedure (iii) en de manier waarop het afgedwongen materiaal wordt gebruikt (iv). Bij een en ander verdient opmerking dat de eerste en vierde factor enerzijds, en de tweede en derde factor anderzijds, als zogenaamde communicerende vaten fungeren. Gelet op de in Jalloh opgeworpen factoren wordt in de literatuur aangenomen dat de invulling die aan het nemo-teneturbeginsel dient te worden gegeven, is verschoven van een zogenaamde material based–invulling naar means based-invulling. Bij een means based-invulling biedt het nemo-teneturbeginsel bescherming tegen bepaalde middelen of methoden van bewijsvergaring (‘through the use of compulsory powers’). Het accent ligt bij een means based-invulling derhalve niet op het type bewijs, maar op de wijze van verkrijging. Bij een material based-invulling beschermd het nemo-teneturbeginsel daarentegen louter tegen de afgedwongen verkrijging van bepaald type materiaal (‘material that has an existence independent of the will’).
Nu duidelijk is dat de wetgever een material based-invulling aan het nemo-teneturbeginsel toekent, kan reeds om die reden zijn stellingname dat het nemo-teneturbeginsel bij artikel 2.5.5.6.1. Sv niet in het geding is, geen stand houden. Een en ander neemt niet weg dat het vergelijkend stem- en handschriftonderzoek als bedoeld in artikel 2.5.5.6.1. Sv ook de (huidige) Straatsburgse toets niet kan doorstaan. Los van het feit dat er weinig tot geen (relevante) processuele waarborgen zijn, zijn de aard (gevangenisstraf) en mate (3 maanden) van dwang zodanig, dat die op geen enkele wijze gecompenseerd kunnen worden. Geconcludeerd moet derhalve worden dat het voorgestelde artikel linksom of rechtsom in strijd is met het nemo-teneturbeginsel (zoals dat door het EHRM gestalte is gegeven).
Date of Award19 Feb 2019
Original languageDutch
Awarding Institution
  • Department Criminal law and International and European Law
SupervisorDave van Toor (Supervisor) & Göran Sluiter (Examinator)

Keywords

  • vergelijkend stem- of handschriftonderzoek
  • nemo-teneturbeginsel
  • verplichte zelfincriminatie
  • 6 EVRM
  • opsporingsonderzoek
  • wils(on)afhankelijk materiaal
  • material based en means based

Cite this

SCHRIJVEN IS ZILVER – SPREKEN IS FOUT!?: Een onderzoek naar de juridische toelaatbaarheid van het vergelijkend stem- of handschriftonderzoek als bedoeld in het voorgestelde artikel 2.6.5.5.1 WvSv, gelet op (de Straatsburgse rechtspraak met betrekking tot) het nemo-teneturbeginsel.
de Gram, J. (Author). 19 Feb 2019

Student thesis: Master's Thesis